In de clematis die over de pergola heen druipt, vond al weken geleden een stel tortelduiven een beschut plekje voor het bouwen van hun nest. Wij zaten er met het rumoerige gezin nog geen twee meter vandaan aan de picknicktafel. Het geschreeuw van de kinderen die op hun stepjes voorbij denderden leken ze op de koop toe te nemen. Misschien trotseerden ze het rumoer, omdat precies dat ook de brutale kauwen en eksters op afstand hield.

Voordat er werd besloten aan huisvesting te beginnen, koerden de tortels een poosje naar elkaar met een repeterend lied, bestaande uit een korte, een lange en weer een korte koer. Iets als: roe-kooee-koe. Dit in tegenstelling tot de houtduif die steeds vijf keer koert: roe-kooee-koe-koe-koe. Dit fijne weetje kwam ik overigens tegen in een krantenknipsel aan de wand van een toilet in Sneek. En daar kunnen ze zoiets weten.
Toen er voldoende liefkozend geroepen was, begonnen de duiven een beetje te bouwen. Bij dat ‘beetje’ bleef het ook. Ze voerden een magere hoeveelheid takjes aan die ze ook weer ‘ zo’n beetje’  los-vast in elkaar staken.  Zich er met een jantje van leiden vanaf gemaakt hebbende, ging mevrouw duif zitten. Het gammele bouwwerkje zuchtte onder haar minimale gewicht. En hoewel ze zelf niet groot was, puilde haar staartveren en vleugels koddig uit het minuscule nestje. Maar ze zat er prima. Vanonder haar verschansing kraaloogde ze vriendelijk, bijna familiair, naar me als ik aan de tafel in mijn boterham hapte of onder haar door naar de schuur liep.

Op een dag, toen ze even was weggevlogen, zagen we twee eitjes liggen. Aandoenlijk bleek tussen het donkere roodgroen van de bladeren. Een paar dagen daarna klonk af en toe getjilp vanuit het gebladerte. Twee kleine snaveltjes riepen om eten. Moeder verzamelde op haar gemak de kruimels van onze lunch en voerde die kokhalzend aan haar jongen. Ongeveer twee weken volgden we dit ornithologisch schouwspel van groeien en opvoeden. De nog kale kleintjes leerden zich gedeisd te houden als ze alleen werden gelaten, te eten als er te eten viel en netjes over de rand van het nest te poepen.

Met de dag werden ze groter. Met moederduif erbij in het nest moesten de kleintjes zich onverantwoord angstvallig vastklampen om niet ter aarde te storten. Kort daarop was het nest leeg. Er klonk een harde schreeuw. Op de trampoline lagen de kinderen met hun neus op het doek gedrukt en wezen naar iets dat onder hen lag op de grond.
‘ Een babyduifje!’ gilden ze. Op dat moment had ik nog een sprankje hoop. Toen ik van het jonge diertje alleen nog één pootje en een halve vleugel terugvond, niet meer.

Dagen achtereen vloog moeder duif nog naar het nest, zoekend, roepend. Een hartverscheurend tafereel. Ze streek vlak voor me neer op het terras en keek me met een gekanteld kopje aan, alsof ze van mij een antwoord verwachtte. Ik schudde langzaam mijn hoofd, het speet me oprecht. Ze bleef me een hele tijd aankijken, met die priemende speldenknopjes. Niet verwijtend of boos, wel vertwijfeld. Ik weet het bijna zeker; er rolde iets glinsterends over haar donzige wang.