Mijn broer werd 9 jaar geleden vader van zijn bonuskind, een mooie dochter. Op 1 april dit jaar werd hij opnieuw vader, voor het eerst van eigen bloed. Weer een prachtige dochter. Hij toonde me zijn kersverse meisje vanachter een glazen achterdeur. Ik stond op de gewassen grindtegels van het terras in zijn tuin en vergaapte me aan het kleins in de doek. Op het gezicht van mijn broer las ik een verwarrende mengeling van trots, blijdschap en verdriet. De fysieke afstand tussen hem, zijn dochtertje en mij had juist op dat moment nooit zo groot mogen zijn. We hadden elkaar, huilend van verrukking over dat prille geluk in zijn handen, in de armen moeten kunnen vallen.

Aan de andere kant van de telefoon hoor ik aan de stem van mijn lieve oude oma dat ze verontrust is, ontredderd bijna. Opa is benauwd, vertelt ze, hij is moe en angstig. Hij gaat achteruit. Net nu liep, waarschijnlijk al dagen of weken, ongezien water achter de muren langs vanuit de woning van de bovenburen bij hen naar binnen. Ineens stond de hal, het toilet en studeerkamertje blank. ’Een vreselijke smeerboel is het’, zucht oma. Ik stel me voor hoe de twee oude mensen van tegen de 100 jaar hun rollators door de laag water moeten duwen om bij de deur naar de galerij te komen. De wielen die er sporen van luchtbelletjes in trekken. Ik knijp mijn mond samen tegen het scherm van mijn mobiele telefoon, ik lijd mee. De werkmannen zijn aardige lui zegt oma. Ze hebben een groot blazend apparaat naast de boekenkast in het kleine kamertje gezet. Het ding maakt de boel droog maar houdt opa uit zijn middagslaap. De werklieden doen hun werk, hameren en bonken. Af en toe komt oma ze tegen op de gang, ze verontschuldigen zich voor de herrie in de verder zo stille woning. ‘Ik hoop dat opa nog wat opknapt kind’, zegt oma. Ze klinkt verslagen. Ik voel me veel te ver van haar vandaan. Door die telefoon wil ik kruipen. Haar zachte oude wang tegen de mijne drukken. Met haar hopen dat er nog wat meer tijd zal zijn voor haar en opa.

Ergens in de uitputtingsslag van de Coronacrisis kregen twee vriendinnen van me het met elkaar aan de stok. De ruzie verliep via What’s app en draaide in wezen, zo schatte ik, om diepe emoties en gevoelens die ogenschijnlijk niet werden meegevoeld of erkend over en weer. De kofferbakmeeting die gepland stond viel erdoor in het water. Ik wist dat de ruzie weer bij zou trekken. Dat hadden alle eerdere onenigheden door de jaren heen ook gedaan. In de hitte van deze recente strijd voelde ik innige liefde voor mijn twistende hartsvriendinnen. Ik verlangde ernaar samen te zijn zoals in vroeger tijden, ketend, lallend. Ik zag voor me hoe we op een avond in het wegdrijvende licht onze auto’s alsnog tegenover elkaar zouden parkeren, ergens op een verlaten parkeerplaats. Hoe we uit tasjes een kop voor de thee en een glas voor wijn zouden trekken. En misschien een zak chips, die we die keer niet met elkaar zouden hoeven te delen. We zouden, ieder in haar eigen kofferbak, het glas heffen en toosten op onze vriendschap, op de standvastigheid ervan. En uitzien naar hernieuwde omhelzingen.