Op de tweede dag werd ik bescheten. Dat kwam zo…

2 april, de tweede dag van mijn nieuwe baan bij de milieufederatie. Na jaren van forenzen met de auto is het letterlijk en figuurlijk een verademing om op de fiets naar mijn werk te kunnen. Ik peddel op het gemak, met de wind in mijn rug, langs het kanaal. Laat de omgeving tot me doordringen. Op het water danst het vroege ochtendlicht. De oude abelen langs het fietspad zijn al een tijdje wakker en volgen me met hun grote ogen. Een diepe dankbare teug lucht brengt de zee in mijn neus. Ik laat mijn gedachten gaan over een kort stukje tekst dat ik straks op de website van de federatie ga zetten om mezelf te introduceren. Even denken, het zal iets worden over deze rit op de fiets; de natuur en ik.

In mijn benen voel ik een lichte mate van verbazing ontstaan over de te leveren nieuwe arbeid. Ik moedig ze aan, allez! Met iedere rotatie zet zitvlees zich om in een werkzamere massa. Ik lees de resterende reistijd af aan de toren in de verte, die gestaag groeit. Het einde van het fietspad is nagenoeg ook het einde van mijn tocht. Ik laat de bomen achter me waar het eerste kantoorgebouw de overgang van vrije tijd naar werkdag symboliseert. Nog even werp ik een korte blik op het uitbottende groen lang de oever aan de overkant voordat ik opga in de stad. Precies op dat moment gebeurt het. Iets scheert over me heen, ik zie het niet, hoor het alleen. Een fractie van een seconde is het verdacht stil. Dan volgen er flarden, spetterend in een spoor van mijn stuur, via mijn broekspijp, langs de mouw van mijn jas over mijn sjaal tot op mijn kruin. Het trappen vergaat me, Ik ben bescheten! Op mijn tweede werkdag. Ik ruik een indringende mengeling van gruizig muf en zuur. Een verwensing aan het adres van de ellendige zeevogel borrelt in me op. Maar terwijl ik omhoog kijk in een opwelling om mijn belager iets minder vriendelijks na te roepen, bedwing ik mezelf: Hé, vogels poepen, ook dat is natuur! Een man die me tegemoet komt kijkt gebiologeerd naar mijn gezicht. Ik besluit de billendoekjes in mijn tas te laten. Mijn volle gewicht gooi ik op mijn trapper en vlieg langs het oranje stoplicht. In de parkeerkelder duw ik de fiets in de standaard en hol door de elektrische deur zes trappen op. Hijgend stort ik het toilet in. Met een pompende borstkast bekijk ik voor de spiegel de ravage van de aanslag, die wit langs mijn wang druipt. Ik scheld binnensmonds. Schijtmeeuw.