Behalve ik is er niemand thuis. Ik lig al een hele tijd op de bank te kijken naar de dingen om me heen. Blauwe boekenkast met doorgebogen schappen, grijze stoel naast een andere grijze, ertegenover de groene. Televisiescherm, als een gapend gat in de muur naast de schouw. Ik raak bedwelmd door hun onbeweeglijkheid. De rust in de kamer is lobbig als kaassaus en drukt me steeds verder in het ribfluweel van de kussens. Mijn oogleden maken een vrije val.

Dan beweegt er iets in mijn ooghoek. Het is geen onverschrokken commotie, eerder een schuiven, een beetje verlegen, als van een kleuter die achter het been van zijn moeder schuil gaat. Ik glimlach, want ik heb de veroorzaker van de trilling in de lucht ontdekt. Hij heeft mijn hart gestolen, de jonge uitloper. Hij staat na te wiegen op zijn uit de kluiten gewassen steel, nog wat beduusd tussen de oudere in de pot. Zijn uitdijende nerven dwongen hem zichzelf te ontrollen en de ogenschijnlijk onnozele tekening van zijn blad prijs te geven. Ongeremde streken beige, licht groen, donkergroen, nog donkerder groen en rozig paars. Die kleuter had het gedaan kunnen hebben. Wat nou symmetrie? O, de perfectie van natuurlijke onbezonnenheid! Nooit zag ik een mooiere kamerplant.