Als zelf respecterend persoon doe je jezelf tegenwoordig stevige cadeaus. Spa-weken, retraite weekenden, naarbinnenkijkdagen, ademkunstochtenden. Jarenlang keek ik verlekkerd naar allerlei advertenties voor workshops in mijn schrijfmagazines. Maar ik bleek een vrek, te gierig om mezelf zoiets te gunnen. Of misschien vond ik het ook wel griezelig. Neem je jezelf dan niet een beetje te serieus als je met veertien anderen in een kring zit te vertellen waarom je vindt dat je echt toe bent aan een paar dagen alleen met je schrift en pen.
Na twee jaar verjaardagsgeld opsparen was ik mijn krenterigheid voorbij en gaf ik mezelf het voordeel van de twijfel als schrijflustige en boekte een kloostertje. Weliswaar een jaar van tevoren, zo had ik nog voldoende annuleringstijd, bij twijfel. Ik annuleerde niet en verbleef uiteindelijk een weekend in het klooster in Huissen voor een schrijf-yoga programma. In stilte om precies te zijn. Ik schreef er als een bezetene, ongecontroleerd en wild. Ja dat kan, wild schrijven. Je verslapen en zonder ontbijt en in pyjama op je werk aankomen, dat soort wild.

Als een baksteen plofte ik vanuit het tumult van de vrijdagmiddag spits, asfalt en files in de onwerkelijke stilte van de orde. Met zoemend hoofd en mijn koffertje op wieltjes nog in de hand sloop ik de groep binnen die al in een tamelijk gevorderd stadium van zen was. Iedereen op pantoffels en in wollen sokken. Onder de vriendelijke blik van de kring kwam ik mentaal en fysiek tot stilstand. We begonnen te schrijven, hielden er niet meer mee op. Een prettige vorm van gekte kwam over ons. De trainer drukte ons op het hart: ‘Blijf schrijven, stop niet. Schrijf, over alles, of over niets. Over de stijgende zeespiegel, honger in Afrika of over afwasborstels. In zo’n vlaag van verstandsverbijstering schreef ik dus het volgende:

Stilte 1

In stilte eet ik. Dat wil zeggen, ik eet en spreek daarbij niet, dat is de afspraak van het kloosterweekend. Andere kloostergangers in de refter volgen blijkbaar geen stilteprogramma, ze praten voornamelijk en nemen af en toe een hap. Ze vertellen op luide toon over hun opleiding psychologie en theologie, hoe doen mensen dat trouwens, al die studies tegelijk? Ze doen uit de doeken hoe gefrustreerd ze zijn, daar hebben ze ook nog tijd voor, over docent zus en zo. Een vrouw in een erg ruim gewaad demonstreert met weidse gebaren een yogaoefening waarbij ze bij wijze van iets van de grond raapt en hoog boven haar hoofd optilt. Haar yogagenootjes schateren het uit. Aan het buffet moppert iemand iets over een bijna lege schaal groenten. Aan het tafeltje naast mij gaat het over een slaapkamergordijn dat niet helemaal sluit. In stilte eten went voor mij maar langzaam. Ik geneer me ervoor om met meerdere zwijgers aan een tafel te zwijgen. Ik zoek verwoed naar iets om mijn aandacht op te kunnen richten, een schilderij, muziek. Maar er is daar niets. Ik moet het doen met de pit van de zwarte olijf waarin ik te hard mijn tanden zet. Ik rol de zaadjes van de aubergine heen en weer in mijn mond. Ik wist niet dat aubergines pitjes hadden. Ik heb zelfs tijd om te zien hoe een hongerige vrouw spaghetti op haar dienblad schept, een hand voor haar mond slaat als ze beseft dat ze vergeten is een bord te pakken.

Stilte 2

Zwijgend loop ik door Huissen. Een stadsbus giert langs en puft zichzelf tot stilstand bij een halte. Huissenaren op fietsen trappen gehaast verloren tijd in. Achter een lint voeren stratenmakers metingen uit in een put in de stoep, ze dragen dikke leren laarzen met modderspatten. Ik sla verschillende straten in, zonder plan. Ik kies mijn route op straatnaam: Bakboord, Pruimenbongerd, Duistere straat. Het gedruis van het centrum zwakt af en gaat over in een lobbige woonwijkstilte. Alles klinkt gedempt, alsof ik met mijn vingers in mijn oren loop. Gebezem in een voortuin, gehannes met een schutting in een achtertuin. In een garage klinkt het blaffen van een hond die nodig moet. Ik sla de Pilgrimstraat in. Bij nummer 4 steekt het hoofd van een vrouw boven de heg uit. Ze deelt haar beklag met haar buurman van nummer 6. Ik vang er slechts flarden van op.

Stilte 3

Ik struin langs stenige voortuintjes waarin kabouters in de middagzon melig naar me grijnzen. De stoep verdwijnt ineens onder een grote hoop gele bladeren, ik moet er overheen springen. Uit het niets gonst het weer, het stadshart. Bij de Hema koop ik een panty met vissengraatmotief. Ik zal hem dragen onder een okergele jurk naar de bruiloft van mijn broer. Aan de kassière, een jonge meid die naar mijn inschatting de kroegen wel vanbinnen kent, vraag ik op gedempte toon waar ik de beste latte macchiatos van de stad kan vinden. Voor de goede orde, met deze vraag schend ik dus de stilteafspraak van het kloosterweekend, die ook in het stadshart van Huissen geldt, zo verklaarde onze trainer. Mijn dorst wint het van mijn toewijding. Het meisje denkt even na en verwijst me dan naar ‘Big Fish’ een eindje verder in de straat. Bij Big Fish hebben ze foeilelijk meubilair, maar een goede beat, zalige herrie. Het zit er vol met stelletjes en groepjes mensen die met elkaar praten en lachen. Ik neem plaats op een kruk aan een hoge tafel voor zes. Dat staat gek, vermoed ik. Ik heb het gevoel dat de hele tent naar me kijkt: raar alleenig mens in een dikke wollen trui en een yogabroek. Niet te veel om me heen kijken, dan zie ik hen ook niet staren. Dit zijn van die momenten waarin je je mobiele telefoon heel goed kunt gebruiken. Maar die staat uit en ligt in de auto, regel van het kloosterweekend. Mijn macchiato arriveert, goddank, nu zijn we tenminste samen en kan ik aan mijn suikerzakje peuteren, mijn koekje verorberen, roeren, de lepel bekijken, mezelf ondersteboven in de lepel bekijken, nog een keer roeren, veel roeren.