Van een afstand kan ik er geen chocolade van maken. Is het nou een hotel waarvoor op onbegrijpelijke wijze een bouwvergunning is uitgegeven in deze lege natuurlijke omgeving? Waar overal elders de duinen met hun grijs-paarse distels geleidelijk overgaan in schraal grasland en door stenen muurtjes omzoomde akkers, wordt het duin net iets ten zuiden van het Bretonse Tréguennec bruut afgekapt. Het oogt als een gehalveerd landbrood. Voor de steile overgang staan hoekige bouwsels, plompverloren. Ze irriteren me, terwijl ik niet eens weet wat het zijn. Er leidt geen direct pad naar toe vanaf waar we nu staan. Dus fietsen we een stukje terug landinwaarts en slaan een klein asfaltweggetje in zuidelijke richting. Het duikt op en neer tussen velden met mais en gerst of baardtarwe en slingert zich rond eeuwenoude boerderijen waarvan de stenen muren zo dik zijn dat de middaghitte het opgeeft er binnen te dringen.

De dozen die eerder vanuit de verte al mijn nekhaar overeind zetten, blijken de gestolde getuigen te zijn van waanzinnige activiteiten. Ze vormen de ruïnes van een grindfabriek. De steile overgang in het duin blijkt een 6 meter hoge betonnen muur te zijn die zich uitstrekt over een lengte van honderdvijftig meter. Daarachter verschanste de fabriek zich. De Duitsers dachten er, met tien treinen per dag, ieder met honderd wagons grind, een aanzienlijk deel van de Atlantikwall mee te bouwen. Het grind werd er in de omgeving afgegraven uit het gelaagde gesteente in de bodem. Er ontstonden diepe kloven die zich later vulden met troebel water. Het grind werd op transportbanden omhoog geleid en vanaf een aantal torens in de wagons gestort. We stappen rond over het fabrieksterrein. De grauwheid van de bouwvallen slokt de vrolijke kleuren van onze vakantiekleren op. Op een van de oude torens prijkt een enorme schildering van een haveloze reiger met een treurige blik. De reusachtige vogel kijkt verwijtend, deelt een emotionele trap uit. Dochtertje pakt papa’s hand en laat hem niet meer los. Ze vindt het hier eng. Ik zie de rillingen over haar rug glijden. Ze lopen samen langs de muur waarop graffiti is gespoten. Leuzen, maar ook portretten van lachende Bretonse vrouwen in klederdracht. Helemaal op het einde van de muur is een tekening gemaakt van een paradijsvogel in neonkleuren. Pas daar licht het gezicht van Dochtertje weer wat op. ‘Dies mooi!’, glimlacht ze.

Net naast het fabrieksterrein klim ik op het duin. Net boven het helmgras uit zie ik de zee. Het blauw ervan, dat steeds iets dieper kleurt. De horizon is niet kaarsrecht zoals je op school leerde, maar is hier gekarteld, in een eindeloze beweging. Het water en het strand blikkeren in de zon. De oceaan is vanaf het begin van onze reis door Bretagne steeds van uiterlijk veranderd. Iedere paar honderd kilometer nam ze een andere gradiënt van groen en blauw aan. Altijd helder, het licht van de lucht reflecterend. Na iedere autorit, elke keer weer net iets dieper ademhalen op het strand dan aan de andere kant achter de duinen. Dochtertje verzamelt schelpen, als schatten, puilend uit haar broekzakken en vergaapt zich aan het glinsteren van het zand en het water, waarin ontelbare zilver en goudkleurige schilfertjes kwarts oplichten. Ze plakken aan haar benen, als schubben van haar zeemeerminstaart. Ook hier, bij de oude grindfabriek glanst de zee. Haar licht troost. Ik kan niet bevatten dat tegen dat decor van die helderheid de intentie van de daden achter de duinen destijds zo grauw konden zijn. Ik stel me voor hoe het licht van de oceaan en het strand er langzaam door verbleekte. Hoe de zon achter de wolken verdween vanaf het moment dat de treinen er binnen denderden. Ze zou zich niet meer laten zien tot de laatste wagon er weggesleept werd.