Het pak op het dak, ingepakt in blauw bouwzeil en met grof vingerdik touw vastgesnoerd, torent hoog boven de auto uit. De ultramarijne pukkel trekt mijn aandacht. Er zijn er hier veel van, van die blauwe pukkels. Iconisch voor een reis tussen twee culturen. Ze omsluiten koffers, kaas en koelkasten. Een ader tussen welvaart en nooddruft. De lucht boven het asfalt van de parkeerplaats, ergens tussen Bordeaux en Bilbao, trilt een hittedans. Een paar meter van de wagen met de torenhoge blauwe last ligt een gezin op een tapijt in het gras. Ze is neergezegen in de schaduw van een boompje. Afgaand op de donkere haren en getinte huid van de man en de hoofddoek van de vrouw vermoed ik dat ze van Noord-Afrikaanse afkomst zijn. De man ligt met zijn mond open gezakt te slapen. Links en rechts van hem, op de hoeken van het tapijt, zit een tiener aan het scherm van een mobiele telefoon geplakt. De vrouw zit tussen hen in, naast het hoofd van haar man. Ze zit kaarsrecht met haar benen gestrekt. Ze kijkt voor zich uit, nergens specifiek naar lijkt het, met een verlangende blik.

Ik kijk naar haar en stel me voor hoe ze in gedachten de tweeduizend kilometer die haar nog scheidt van haar familie in haar vaderland, al heeft overbrugd. Hoe ze uit de hete en nog ronkende auto springt en met kracht haar ouders en zusters in haar armen sluit, na een jaar of meer van gescheiden zijn.

Op het tapijt, harkt ze liefkozend met haar mollige vingers door de krullen van haar man. Hij slaapt zichzelf aan haar zijde weer op krachten. Ze gunt hem zijn rust, na al die uren rijden als enige chauffeur. Maar hij mag wat haar betreft nu wel weer wakker worden.