In ons kantoor staat sinds enige tijd een fruitschaal. Het is een houten bak, rechthoekig, met afgeronde hoeken. Wie hem er heeft neergezet is me niet duidelijk, wie hem beheert evenmin. Het was een nobele geste om het ding daar neer te zetten. Vermoedelijk als een tegengebaar naar de snoeppot die ernaast staat, waaruit fluorescerende aroma’s opstijgen van Fruittella en Haribo.

Van het gezonde assortiment in de schaal waren het de bananen die nagenoeg inktzwart en omgeven door fruitvliegjes, als eerste in de prullenbak verdwenen vorige week. Vandaag trok ik een appeltje uit de schaal dat, de verrotting voorbij, zichzelf losmaakte van zijn miserabele steeltje en met een kwakje op mijn toetsenbord belandde. Nadat ik de moes tussen de knoppen vandaan had gepeuterd wierp ik een blik op de laatste overlevers in de schaal: twee kiwi’s. Een week of twee geleden stond hun borsthaar nog fier overeind. Nu rimpelde het vel als de lippen van een oude vrouw zonder tanden. Even meende ik te zien dat er één zijn armpjes wanhopig naar me uitstak.

Ik ga het ze niet vertellen, die kiwi’s bedoel ik, dat ik noch mijn collega’s ze ooit in ons mond zullen steken. De arme sloebers.