Vanuit de zinderende vlakten rondom het Noord-Spaanse Riaño lokken de Picos de Europa ons met hun vage silhouetten. Overal goudgele velden. Hun dorheid beneemt me de adem. Fata morgana’s maken het asfalt voor ons vloeibaar. We rijden dorpjes in en een paar meter verder weer uit. Ze klampen zich vast aan de weg die zich als een lang recht lint uitstrekt door het landschap. De weg behoedt de handvol inwoners en de autogarage van een totaal isolement. Hoewel het al tegen zevenen in de avond loopt wil de temperatuur nauwelijks zakken. Het is smoorheet. Wij laven ons al de hele dag in de airco van de camper tijdens de lange rit vanuit Portugal. We passeren een bankje met tandeloze ouwetjes in lange broeken. Ze hangen voorover op hun wandelstokken. Zij moeten het doen met de schaduw van hun huizen. Ze voeren slissend gesprekken, misschien over ons. Van hun gelooide gezichten kan ik niet aflezen wat ze vinden van toeristen met korte broeken en spiegelende zonnebrillen die hun gehucht doorkruisen.

Na nog een uur rijden slokken de bergen ons op in hun dalen en kloven en slingeren we omhoog over een pas. Aan de ander kant van de pas ligt een groot stuwmeer. Het water staat laag, de oevers tonen kale roodbruine groeven van vele eerdere waterstanden. De wind steekt op uit het niets en giert door het dal en even snel als hij opstak, is hij ook weer verdwenen als we verder klimmen naar een volgende pas. Stapvoets draaien we de haarspeldbochten in en uit. Ze doen een aanslag op mijn maag, die steeds weeër voelt. Het stokbrood waarmee ik een paar uur geleden mijn honger stilde klopt aan bij mijn slokdarm. Ik draai het raam omlaag en adem met diepe teugen. Het stokbrood trekt zich langzaam weer terug.

Op het hoogste punt staat een koe, midden op de weg. We komen tot stilstand op een meter of twee afstand. Het rund kijkt ons schaapachtig aan voor zover een koe dat kan. Haar kaken malen onverschillig door. Bij iedere knauw wippen de merken in haar oren op tussen de grauwbruine haren. Met haar enorme kop verjaagt ze een steekvlieg op haar flank, vervolgens hervat ze het kauwen. Geen stap verzet ze. Ronkende motorkappen heeft ze vaker gezien. Man geeft een mep op de claxon. Nummer 368 lijkt niet geschrokken, eerder verontwaardigd. Uit protest tilt ze haar staart op en laat een straal vlaai de vrije loop. Daarna slentert ze enkele stappen verder. Wij kunnen er langs, weliswaar dwars door de mest.

Het is 21.30 uur, man is moe van een lange dag rijden en bij zoon is het stokbrood inmiddels ook opstandig geworden. We manoeuvreren een klein hobbelig pad in net naast de weg en drukken de camper in het lange gras van de berm. ‘Zo, slaapplek’, zegt man. Hij zet de motor uit. We duwen de deuren open. De stilte lijkt terug te duwen, zwaar als nat vilt. Af en toe een bel van een koe en een verre rommel van onweer. Om ons heen rollen de glooiingen met kort ruig gras tot waar de rotsen het overnemen en stijl omhoogschieten. Daar groeit niets, daar regeren de grijstinten. De schemering valt. We eten noodles die we weken in het overgebleven lauwwarme water uit de thermoskan. De geur van de bouillon is blijkbaar de vallei in gedreven, want ineens staat er een kudde koeien bij de schuifdeur. Een aantal dieren draagt een bel met een brede leren riem om de nek. De klepels dreunen een kakofonie tegen het koper. De vriendinnen zijn vredelievend. Snuiven geïnteresseerd aan de fietsen op de drager en vervolgens aan de velgen. Allemaal prima, maar nummer 536 en 082 tekenen bij hun inspectie met hun reusachtige horens vrolijke kindertekeningen in het stof op de lak van de camper. ‘ Shhhoe’ roep ik. Stoïcijnse blikken. Ik moet ineens denken aan leerkrachten die alle dagen in het smoelwerk van kauwgom kauwende pubers moeten kijken. Ik hoor weer het gekras op de lak. Wel verdraaid! Ik klap hard in mijn handen en roep ‘opzouten’. Vanuit de bus klinkt gesmoord gegiechel van zoon en dochter. Mama zegt iets dat zij nooit mogen zeggen van haar. Het werkt wel, de kudde wijkt iets en sjokt daarna op het gemak naar de kraal verderop in de vallei.

Nu de rust is weergekeerd kunnen we naar bed. We sluiten de gordijntjes en kruipen onder onze klamboes. Net als de slaap me bijna meeneemt hoor ik gesnuif, gevolgd door een oorverdovend geloei. We zitten alle vier stijf rechtop. De maat is vol. Ik spring uit bed, man volgt. Hij rukt de gordijnen van de voorruit en start de motor. Ik spring in pyjama op de bijrijdersstoel. De motor brult van frustratie, de koplampen flitsen aan. Een wirwar van bruine harige konten, horens en natte glimmende neuzen springt opzij. Hah, dat hadden ze niet verwacht, die runderen. Man geeft gas en draait de weg weer op. In het zijraam zie ik hoe we worden nagekeken terwijl we in de nachtelijke bergen verdwijnen.