Vandaag ontmoette ik twee voor mij belangrijke auteurs. Ja, ik schrijf bewust auteurs en geen schrijvers. Hun werk rechtvaardigt dat. In een hoek van de Drukkerij, tussen de cd’s en de kassa, interviewde Rinus Spruit Gerbrand Bakker over zijn nieuw verschenen boek ‘Rotgrond bestaat niet’. Wij, een voor Zeeland kenmerkend bescheiden schare dwepende luisteraars, in een halve kring om de statafel, waaraan het gesprek zich zou voltrekken. Rinus bladerde vooruit en weer terug door een stapeltje a4tjes dat in de linkerbovenhoek bijeen werd gehouden door een nietje. Het zag ernaar uit dat hij daar nauwkeurig zijn vragen op had uitgewerkt. Desondanks leek Rinus zich wat ongemakkelijk te voelen aan die statafel. Maar misschien is dat een voor hem permanente staat van zijn, want in een boekbespreking op zijn website schrijft Gerbrand Bakker over Rinus:

Hij is een ‘moeilijke man’, en zoals zo vaak bij ‘moeilijke’ mensen heeft hij daar vooral zelf veel last van. Hij is droog, een tikje somber of melancholiek, het is of hij het gevoel heeft dat hij heel veel dingen niet goed heeft gedaan, wat hem dwingt om op de een of andere manier rekenschap af te leggen.

Gerbrand is zelf volgens mij ook een ‘moeilijke man’. En dan bedoel ik, vermoedelijk net als hijzelf over Rinus, dat hij een complex karakter heeft en sterk gebukt gaat, ja daar kun je wel van spreken als je zijn boeken hebt gelezen, onder emoties. De schrijvende hovenier leek zich minstens zo oncomfortabel te voelen als zijn interviewer, maar in tegenstelling tot diens bedaardheid, flapte Gerbrand er met bravoure allerhande opmerkingen uit en wipte hij onrustig met zijn voeten op de spijl tussen de poten van zijn kruk. Hij wist van zichzelf dat hij een grote mond heeft en een klein hartje. Rinus wist dat ook. Tijdens het interview lokte hij Bakker uit zijn tent over wijlen zijn hond Jasper, nog altijd een gevoelig onderwerp.

Toch hebben ze veel overeenkomsten, Bakker en Spruit. Ik bewonder beider vermogen om over landschappen te vertellen, waarin je zo zelf wegfietst. Je hoort de tarwe op de akker langs de weg ruisen. Ze beschrijven sferen waar het zuurstof zo ver uitgetrokken is, dat je eigen gezicht er blauw van aanloopt. En gevoelig dat ze zijn, die twee mannen. De interne worsteling knevelt boek na boek. Zouden ze die verbintenis van ‘moeilijk’ zijn zelf ook voelen? Misschien fietste Gebrand daarom eens onaangekondigd naar Rinus’ huis?

Na het interview liep ik op Rinus af met een van zijn boeken, dat ik pasgeleden voor mijn verjaardag kreeg. Hij schreef er, opnieuw met veel zorg, mijn naam, de datum en locatie in en zette tenslotte zijn handtekening. Bijna verlegen gaf hij me het boek terug. Toen hij even alleen zat nam ik plaats op de lege stoel naast hem. Ik klampte hem nogmaals aan: hoe hij dat toch voor elkaar krijgt; zo fascinerend schrijven over dreunende stilte en verzwelgende eenzaamheid in alledaagse zinnen? Ik wachtte af, verwachtingsvol. Bijna bedremmeld keek hij me aan over de halvemaantjes van zijn leesbril, waarvan de ene poot op zijn oor rustte en de andere tegen zijn slaap rustte.
‘Ik kan je vraag niet goed beantwoorden, hij schudde zijn hoofd. ‘Ik zou het echt niet weten.’
En dat had ik natuurlijk kunnen weten, want Rinus is zo’n auteur die schrijft vanuit een instinct. Dat soort talenten zijn niet te verklaren, daar is geen tactiek voor. Toch geeft hij me een paar tips. Ik hang aan zijn lippen. Een café in gaan, adviseerde hij. Kijk naar mensen en schrijf daarover zonder censuur in een boekje dat je zo uit de binnenzak trekt. Bedenk altijd of dat wat je schrijft ook interessant is voor je lezer.

Vandaag ontmoette ik Gebrand Bakker en Rinus Spruit.
Een dag om aan de balk te spijkeren!