Op de hoek van het aanrecht ligt ineens een veertje. Ik zeg ‘ineens’, want zoeven lag het er nog niet. Er bestaat geen twijfel over hoe het daar beland is. Jongste Gezinslid is een vervend verzamelaar van schatten, van natuurlijke en minder natuurlijke oorsprong. Ik vind ze overal; in broekzakken, voorvakjes, achtervakjes, laatjes en in mijn bed. Meestal zijn het schelpen of stukken daarvan. Andere keren vind ik takken of dennenappels. Soms zijn het flesdoppen of sigaretfilters. Nu ben ik van nature een vrij geordend type. Dat wil zeggen: ik hou van orde en voel me prettig in een rustige omgeving die ik kan overzien, waar alles ligt of staat waar ik het verwacht en een prettige balans bestaat tussen prularia en leegte. Literatuur leerde mij dat mensen met dergelijke voorkeuren op die manier veinzen rust in het hoofd te hebben.

De vondsten van Jongste Gezinslid wekken bij mij een lichte ontstekingsreactie op, tenminste, als ze niet liggen waar ik verwacht dat ze liggen, wat dus meestal het geval is. Ik laat ze dan ook met enige regelmaat ‘verdwijnen’. Is dat ontaard? Begrijp me niet verkeerd, ik heb er echt wel last van, van mijn meedogenloze oordelen over wat mag blijven en wat niet. De kostbaarheden zijn niet eens van mij! Maar het moet, houd ik me voor, om niet gek te worden in de niet-aflatende aanwas van allerhande snuisterijen die met aandacht werden vergaard, maar vrijwel direct na collectie door de vindster worden vergeten.

Het veertje is hetzelfde lot beschoren. Het is nattig en daardoor kleven de lamellen van de veer aan elkaar, als wimpers in een klont mascara. Het verfomfaaide van de veer roept medelijden bij me op. Misschien ontroert het me dat Jongste Gezinslid iets moois zag in het aftandse dons, dat het desondanks mee mocht naar huis en het waardevol genoeg was om niet overheen te fietsen.

Ik spoel een bord om en leg het schuin tegen de gootsteen om te drogen. Er verzamelt zich een plas water dat richting het veertje stroomt. Mijn microvezeldoekje slurpt het water in een teug op. Met een zwiep trek ik de lap boven de wasbak om hem uit te wringen. Het veertje blijft aan een van de hoeken hangen. Een reflex: ik mep het eraf, zoals je een spin uit een dweil slaat. Het belandt in het vocht op de bodem van de wasbak. Met duim en wijsvinger vis ik het eruit, terwijl ik met mijn andere hand de afvalbak openschuif. De veer bungelt weerloos boven de muil van de emmer. Waar is nu mijn allergische koorts? Ik kan het niet, deze keer niet. De emmer gaat dicht, de schat mag drogen in de vensterbank.