Moet je kijken, ze ligt er weer. Daar, op dat kussen in het gras, met haar neus tegen het gaas. Nee, geen idee, ze ligt gewoon naar ons te staren. Ze kijkt er heel gelukkig bij. Ze roept ons steeds. Wat wil ze nou eigenlijk? Geen zin om weer bij m’n lurven gegrepen te worden om fijn op schoot te zitten en de lucht uit m’n longen te laten aaien. Straks moet ik weer in een plastic mandje midden op de eettafel zitten, waar die kinderen met hun monden vol chocopasta smakzoentjes op mijn neus geven. Of zou ze weer het onzalige idee krijgen om me in een teil met warm water te stoppen om mijn billen te wassen met zeepvrije babyshampoo? O, oké, jij vindt dat ik me aanstel? Nou, ik vind het ook heel fijn om in een handdoek opgevouwen te worden en onder mijn kin gekriebeld te worden. Maar oh wee als ik er een plasje in laat lopen. Dan is het huis te klein, en hoor je niet meer vertederd ‘oeh’ en ‘ah’, maar klinkt er verontwaardigd ‘gatver!’ en word ik in die door mezelf volgezeken doek met een boogje terug in het zaagsel gejonast. Maar goed, ze maakt van die geluiden, meestal is er dan wat te eten. Kom we gaan kijken! Blijf maar achter me lopen, ik ga wel voorop. Joh, hou nou een klein beetje meer afstand en haal je neus uit m’n achterste. Ze propt iets tussen het gaas door, zie je? Hopelijk is het paprika of andijvie, of nee nog lekkerder spinazie, daar heb ik zin in! Hmm, het ruikt naar bleekselderij, ook goed. Hopelijk heeft ze die dit keer iets eerder uit de koelkast gehaald. Vorige keer kreeg ik gewoon pijn in mijn kop van de kou toen ik mijn tanden erin zette. Ik weet het, het mens bedoelt het goed. Maar het gaat weleens ver. Een verplettering der liefde, dat moet je toch toegeven. Jij vindt dat dat wel meevalt. Nou, wat dacht je van die keer dat ze met dat houten speeltje aan kwam zetten. ‘Daar worden jullie slim van’, koerde ze. Wat bedoelde ze daar nou weer mee? Een beetje mezelf het zweet tussen de bilnaad werken door met mijn tanden aan een laadje met een touwtje te trekken. En wat is dan na dat gezwoeg de grote beloning? Een verschrompelde erwt. Zeker, ze gunt ons het beste. Daarom stopte ze ons in haar zo geliefde vitrinekast, de boeken moesten het veld ruimen. Glas eruit, gaas ervoor. Het was een kast met vier schappen, dat werd dus een flat met vier verdiepingen, drie trappen met laminaat, ieder ons eigen slaaphuis inclusief deken met retro appelmotief, twee ballen voor het hooi, één voor het gras, twee flessen water, iedere avond een verse groene knaagtak, een ren op het gazon met een meterslange pvc-buis met twee ellebogen erin om doorheen te sluipen, en, mijn hemel, een speeltje in de vorm van een klosje met gaatjes met daarin nog meer van die ellendige uitgedroogde erwten. Je zou zeggen, meer dan voldoende. Maar nee hoor, ze deed er nog een schepje bovenop… ze naaide een hangmat. Nee, niet voor zichzelf, voor ons! Waanzin noem ik het. En dan durf ik het verder niet meer hebben over die keer dat ze ons meenam naar de camping, waar ze ons op de achterbank van de camper met een speciaal voor de gelegenheid aangeschaft radiatorkacheltje en met kruikjes, bubbeltjesplastic, thermometer met een sensor aan een draadje en een slaapzak probeerde te redden van de bevriezingsdood. Gelukkig logeren we af en toe bij Anneke Cavia. Die doet nog een beetje normaal. Daar leef je het ‘normale leven’; gewoon in een hok zoals alle anderen, in een schuur, spinrag aan de balken, stof op de grond. Maar je hebt gelijk, ik mag niet klagen, ik prijs me gelukkig, want het ontbreekt ons aan niets, er wordt hartstochtelijk van ons gehouden. Ons ogenschijnlijk onnozele voorkomen zij geprezen. Ik hoorde die dame ons eens een wonder der natuur noemen. Ze is lyrisch over onze bolle buiken, waggelende tred, oren in de vorm van gefrituurde kroepoek en wild opstaand haar over kraalogen. Het is te gênant voor woorden, maar zelfs als we onze eigen keutels oppeuzelen wordt dat met enthousiasme ontvangen. Alles, werkelijk alles is haar even lief. En dat blijkt geen vanzelfsprekendheid! Diep betreurd en beweend zijn ons harige vrienden, de arme stakkers, die in een opwelling in groten getale werden binnengesleept tijdens de pandemie. In tijden van sociale nood boden ze troost aan de eenzamen. Maar toen het isolement voorbij was en men de vrijheid weer rook, werden ze een blok aan het been. De pleeggezinnen moesten namelijk halsoverkop op vakantie naar Spanje of Italië. De zachte reddertjes in nood massaal gedumpt in bos of berm. Aan hun lot overgelaten, op het strandlaken aan de Costa del sol al vergeten.